De Schermeer is drooggelegd met behulp van 52 rietgedekte molens van het type achtkante binnenkruier. De Schermer onderscheidde zich van de andere grote Noord-Hollandse polders. Het unieke van deze droogmakerij is het concept van de viertrapsbemaling, waarbij het polderwater eerst in een binnenboezem werd opgemalen en vervolgens door driehoog malende, grote en geïntegreerde molengangen aan de rand van de polder werd uitgeslagen.

molen3De bedijkers van de Schermer maakten gebruik van de adviezen van een vijftal ‘meestermolenmakers’ die reeds bij voorafgaande droogmakerijen betrokken waren geweest en dus beschikten over de nodige ervaring. Zij adviseerden de bedijkers over het molentype, het aantal molens en de locaties waarop deze het beste konden worden geplaatst.

De bodem van de Schermeer lag op het diepste punt ongeveer drie meter onder het niveau van de Schermerboezem. De diepste molentochten kwamen op een diepte van ongeveer -4,30 te liggen. Met een opvoerhoogte van één meter per molen moest men het water dus in vier trappen omhoog malen. Op vijf plaatsen rond het meer verrezen, eind 1634 begin 1635, dicht tegen de ringdijk aan, molengangen. Eerst werden de boven- en middelmolens gebouwd. De middelmolens deden in eerste instantie dienst als uitmalende bovenmolens en werden na enkele maanden omgebouwd tot middelmolens. Nadat het waterpeil verder was gezakt, werden de ondermolens geplaatst.
Het unieke van de Schermer was dat er werd gekozen voor een decentraal bemalingssysteem. De droogmakerij werd opgedeeld in veertien polders. Elk van deze polders werd bemalen door een eigen poldermolen. De poldermolens maalden uit op de binnenboezem, die voornamelijk gevormd werd door de Noordervaart en de Zuidervaart. Deze binnenboezem bracht het water naar drie clusters van molens: zes molens bij Schermerhorn, zestien tussen Schermerhorn en Ursem en zestien bij Driehuizen. Deze molens maalden het water van de binnenboezem in drie trappen af op de ringvaart en werden daarom ook wel ringmolens genoemd.

Hoewel er op de dag van de verkaveling, 20 oktober 1635, de dag waarop de landeigenaren hun gronden door verloting kregen toegewezen, 52 molens in werking waren, bleek de situatie niet ideaal. De ingelanden klaagden voortdurend over wateroverlast, maar geld voor nieuwe grote uitgaven was er niet. Daarom waren alle inspanningen gericht op benutting van de bestaande capaciteit. Herschikking van de aanwezige molens was de enige haalbare optie.

Gedurende dertig jaar, in de periode van 1635 tot 1666, werd 32 maal een molen verplaatst. Molenmakers, timmerlieden en metselaars hadden hun handen er aan vol. In de eerste vier jaar verhuisden er 26 molens. De molengangen bij Oudorp, Rustenburg en ten westen van Graftdijk werden ontmanteld, waarmee met name de maalcapaciteit aan de oostzijde van de polder werd versterkt. De molengangen bij Driehuizen en die tussen Schermerhorn en Ursem werden uitgebreid tot elk zestien molens en de gang van zes molens aan het oosteinde van de Noordervaart werd hiermee een feit (1636).

 

Beschrijving van de molens

beschrijving molens 2

Van Scimere naar Schermer

t schermer museum

Molenverhalen in de Schermer

verhalen